Geschiedenis
![]()
Net als bij de Mastino Napoletano ligt de oorsprong van de Cane Corso ver in het verleden in Italië; men kan echter uitsluiten dat de een van de ander afstamt. Zij zouden wel op z'n hoogst de oude Romeinse Molosser als gemeenschappelijke voorvader kunnen hebben gehad. Ook de Bull Mastiff, de Old English Mastiff, de Mastino Napoletano en de Bordeaux Dog behoren tot deze Molossers.Van deze Molosser zouden volgens de overlevering twee typen hebben bestaan: een zware, waarvan de huidige Mastino Napoletano zou afstammen; de andere die lichter en atletiser was zou de voorloper van de Cane Corso kunnen zijn geweest.
Het staat vast, dat de Cane Corso al goed bekend was in de middeleeuwen. In 1200 werd de Cane Corso voor het eerst beschreven in de literatuur. Zo schrijft Theofilo Folengo al over hem in zijn 'Maccheronee', en daarna beschreef Erasmo de Valvasone hem in zijn gedicht 'La Gaccia' (1591) als volgt: ' De Corso is sterk; hij valt een wild beest brutaal aan en houdt het beet; omdat hij het heeft gevangen laat hij het weer los '
De Cane Corso was een hond die voor veel doeleinden gebruikt kon worden. In die tijd moest de hond nut hebben om de mensen in hun dagelijkse doen en laten bij te staan. Populair waren de honden bij de boeren, slagers, veldwachters (politie) en jagers.
De boeren hadden een hond nodig die op hun erf een oogje in het zeil hield. Men had een boerenbedrijf met zowel landbouw (druiven, olijven, groenten, enz.) als dieren (koeien, schapen, kippen, enz.). De dieren behoorden op het erf te blijven en de koeien moesten naar de stal gebracht worden om gemolken te worden. Hierbij hielp de Cane Corso de boer. Uiteraard werd het niet gewaardeerd wanneer de hond vee dood beet, of agressief waaks was. Italianen zijn een zeer sociaal volk en komen veel bij elkaar over de vloer voor een praatje en een glaasje wijn. Ook binnen het, meestal kinderrijke, gezin met opas en omas behoorde de Cane Corso een betrouwbare metgezel te zijn. Naar vreemden moest de Cane Corso argwanend zijn en, bij afwezigheid van de baas, moest de Cane Corso zelfstandig kunnen handelen.
De slagers hadden de Cane Corso o.a. nodig als assistent bij opdrijven van het vee (meestal alleen stieren) naar het slachthuis.
De jagers gebruikten de Cane Corso weer voor het opsporen en opdrijven van wilde varkens. De veldwachter had de Cane Corso voor de bescherming van zijn eigen persoon bij de aanhouding van stropers, struikrovers, enz. We spreken over de middeleeuwen in Midden en Zuid Italië.
Door de modernisatie, vooral in het boerenbedrijf, werd de noodzaak van de Cane Corso aanzienlijk minder en zakte hun aantal drastisch, omdat de hond een duidelijke functie moest hebben. Verviel de functie dan was het afgelopen met de hond. Het ras bleef echter in stand gehouden door boeren, jagers en herders in de afgelegen streken van Zuid Italië (Puglia en Calabria). Daar werden ze in de jaren zeventig als het ware herontdekt door professor Giovanni Bonati, die onderzoek deed naar de Molossoïden , en dan voornamelijk naar hun verre afkomst en verspreiding door migratie van volkeren uit Midden-Europa en het Midden-Oosten. Hij bemerkte dat er nog enkele exemplaren van de Cane Corso bestonden, waardoor het mogelijk was een selectieprogramma voor het ras op te zetten. Een groep liefhebbers uit Emilia-Romagna, Lombardia en Venezia, dus uit streken ver van de plaats waar de Cane Corso overleefde, hebben de uitdaging aangenomen, een uitdaging die in wezen een grote gok was. Zo is de moeizame zuivering van de Cane Corso, van generatie op generatie, begonnen. De Cane Corso kan nu buiten gevaar worden beschouwd, ook al heeft het ras behoefte aan nauwgezette en attente zorg.
Eind 1996 door de FCI als voorlopig ras erkend. Tegenwoordig veelal gebruikt als waakhond en gezelschapsdier. De Cane Corso is vriendelijk van aard en lief voor kinderen.